Er was eens een man in Leiden
die hield veel van mooie meiden.
Er was er geen één die aan hem dacht,
want hij was zo lelijk als de nacht.
Hierdoor moest hij zijn leven lang lijden.
Er woonde een man in Den Haag
die had zo'n last van z'n maag.
De chirurg die hem opensneed
vond al snel de oorzaak van dit leed
en hij verwijderde de kettingzaag.
Er was eens een vrouw in Kampen,
die was heel bang voor rampen.
Iemand riep voor de gein: "help een bom"
en de vrouw viel van angst bijna om,
maar zei: "ik zal jou de grond in stampen.
Er was eens een man in Naarden,
die hield alleen maar van paarden.
Zijn vrouw sloeg hem op zijn oor
en ging er met de buurman vandoor,
want ze kon in een stal niet aarden.
Er was eens een vrouw in Londen,
die had een portefeuille gevonden.
Het geld kon zij goed gebruiken,
maar ze vond het niet fris ruiken
en bovendien waren het geen ponden.
Er woonde een jongen in Laren,
die hield niet van fietsen en varen.
Daarom liep hij zich rot,
zijn schoenen gingen kapot
en op zijn voet had ie grote blaren.
Er was eens een man in Giethoorn,
die ontstak regelmatig in heftige toorn.
Dan was hij heel lang vreselijk boos.
Wat wel hielp was een hele mooie roos,
maar toen prikte hij zich aan een doorn.
Er was eens een man in Amstelveen,
die zeurde zo dat zijn vrouw verdween.
Hij dacht: "Ik houd er helemaal mee op"
en schiet een kogel door mijn kop".
Hij schoot, maar raakte zijn elfde teen.
Er was eens een echte ridder op Tholen,
die was met zijn schildknaap aan't dolen.
Hij zei: "Volg mij meteen, ik val nu aan",
want ik zie daar wel vier vijanden gaan",
maar dat waren de wieken van een molen.
Er was eens een man in Zeewolde,
die was zo dronken dat hij tolde.
Hij reed toen heel sloom,
met zijn auto tegen een boom,
waarbij hij deze en zichzelf molde.
|